terug naar overzicht

overige artikelen

‘Toepassing van Europees Recht’

R. Stijnen & M. Jurgens (red.), Toepassing van Europees Recht

boekbespreking verschenen in: Bouwrecht 2013/91

mr. drs. Marjan I. Jaarsma

Wat is de rol van de nationale rechter bij de toepassing van het EU-recht? Rond deze vraag organiseerden de Kenniscentra van de Rechtspraak en de Stichting Studiecentrum Rechtspleging (SSR) op 9 november 2012 een themadag voor leden van de zittende magistratuur en de juridische ondersteuning. Deze dag was voor de organisatoren aanleiding tot het uitgeven van een compacte bundel met de titel ‘Toepassing van Europees Recht’, die hieronder partieel wordt besproken.

1. Inhoud

De bundel bevat de volgende bijdragen:

– H.J. van Harten – ‘Unierecht en de Nederlandse rechter. Over kenmerken van nationale rechterlijke autonomie en europeanisering van de rechtspleging’;

– R. Stijnen – ‘Een procedure op tegenspraak of ambtshalve toezicht door de rechter?’;

– F.J. Blees en X.E. Kramer – ‘Internationale verkeersongevallen en verzekering in Europees perspectief’;

– J. Verbeek – ‘Met het doel voor ogen’;

– R.C.P. Haentjens en M. Jurgens – ‘De Conceptrichtlijn Marktmisbruik, de Conceptverordening Marktmisbruik en de harmonisatie van de handhaving’.

Van Harten en Stijnen hebben onderzoek gedaan naar de wijze waarop de Nederlandse rechter het Unierecht toepast vanuit respectievelijk de algemene leerstukken van het Unierecht en het nationale procesrecht. De overige auteurs kozen een specifiek onderwerp of rechtsgebied, namelijk de rol van het Europees (internationaal) privaatrecht en het Europees verzekeringsrecht bij de afwikkeling van internationale verkeersongevallen (Blees en Kramer), de toepassing van het Europees natuurbeschermingsrecht in het Nederlands bestuursrecht (Verbeek) en de te verwachte invloed van de Europese Conceptrichtlijn en -verordening inzake marktmisbruik op de harmonisatie van strafrechtelijke handhaving (Haentjens en Jurgens).

In paragraaf 2 is een bespreking van een ‘algemene’ bijdrage opgenomen en in paragraaf 3 een bespreking van ‘specifieke’ bijdrage.

2. ‘Unierecht en de Nederlandse rechter. Over kenmerken van nationale rechterlijk autonomie en europeanisering van de rechtspleging’

Hoe groot is de invloed van de europeanisering van het recht op een rechterlijke organisatie? Deze vraag behandelt Van Harten in het tweede deel van zijn bijdrage. In 2005 werd in het onderzoeksrapport van de Raad voor de rechtspraak geconstateerd dat deze invloed nog meeviel en voornamelijk liep via de weg van de materiële doorwerking van het Europese recht. De auteur is van mening dat deze constatering anno 2012 niet meer opgaat. Hij ziet vier nieuwe tendensen die de rechtspleging zeker verder zullen europeaniseren:

– de recente vrijwillige invoering van een Europese identificatiecode voor jurisprudentie, de zogenaamde European Case Law Identifier (ECLI), die het Landelijk Jurisprudentie Nummer (LJN) vervangt en opgenomen zal worden in het gekoppelde databestand van het Europees e-justitieportaal;

– plannen van de Europese Commissie om tot 2020 de helft van de beoefenaars van juridische beroepen in de EU de mogelijkheid te geven om deel te nemen aan Europese justitiële opleidingen, waarbij rechters en openbare aanklagers voorrang krijgen;

– de inzet van rechterlijke netwerken als uitlopers van het Europees bestuur, bijvoorbeeld als bondgenoot bij de planning van het voornoemde opleidingsvoornemen;

– Europese aanbevelingen gericht op lidstaten met betrekking tot de rechtspraak.

De autonomie van de rechter is het onderwerp van het eerste gedeelte van de bijdrage van de auteur. Zijn vertrekpunt is niet Brussel, maar Nederland. Met andere woorden centraal in zijn bijdrage staat niet de vraag wat de Nederlandse rechter (in theorie) met EU-recht moet, maar wat hij er in de praktijk mee doet. Wie wel in Brussel begint, stuit op de traditionele verdeling van de taken: de aan het Hof van Justitie voorbehouden uitleg en de aan de nationale rechter toevertrouwde toepassing van het EU-recht. Iets dat volgens Van Harten een juridische fictie oplevert en op gespannen voet staat met de werkelijkheid. ‘Uitleg en toepassing horen wat mij betreft beide thuis bij de nationale rechter als Europeesrechtelijke rechtsbeschermer.‘

De auteur toont overtuigend aan, dat er tot voor kort weinig aandacht voor de nationale praktijk was, terwijl het overgrote deel van de rechtszaken waarin een Europeesrechtelijk component zit in meer of mindere mate zelfstandig beslist wordt door de nationale rechter. Daarbij komt dat prejudiciële beslissingen vaak wel bekend zijn, maar de bijbehorende einduitspraken van de nationale rechter niet.

Wat verstaat Van Harten onder de autonomie van de nationale rechter in het EU-recht? Er gelden drie buitengrenzen: 1. de nationaalrechtelijke context van de betreffende lidstaat; 2. de opdracht om nationaal en Europees recht gelijkwaardig te behandelen (gelijkwaardigheidsbeginsel); en 3. De opdracht tot loyaliteit ex art. 4 lid 3 VEU om te voorkomen dat de nationale rechter met uitspraken kan komen die afwijken van in jurisprudentie van het Hof van Justitie gemaakte uitdrukkelijke keuzes. De auteur heeft de indruk dat de Nederlandse rechter in het algemeen binnen deze buitengrenzen opereert. Hij baseert dit op zijn eigen (dissertatie-)onderzoek naar Nederlandse Europeesrechtelijke rechtspraak en een algemene impressie.

Om een beter begrip van de autonomie van de nationale rechter te krijgen, worden aan het einde van het eerste gedeelte diverse rollen van de rechter besproken: eerste aanspreekpunt, baas van het proces, bewijsbeoordelaar, selecteur, toepasser, uitlegger en eindbeslisser.

3. ‘Met het doel voor ogen’

In ‘Met het doel voor ogen’ staat de rol van het Europese natuurbeschermingsrecht in de Nederlandse bestuursrechtspraak centraal, waarvan de kern bestaat uit de Vogelrichtlijn (Vrl) en de Habitatlichtlijn (Hrl). Deze Richtlijnen zijn omgezet in de Flora- en faunawet (Ffw) en de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998). Aanleiding, doel en inhoud van de Richtlijnen komen eerst aan de orde. Vervolgens besteedt de auteur aandacht aan de aanwijzing van Natura 2000-gebieden, de rechtsbescherming tegen de aanwijzingsbesluiten en de instandhoudingsdoelstellingen. Tot slot komt het beschermingsregime voor gebieden aan bod. Rode draad in deze goed geschreven bijdrage is het doel van de Richtlijnen, dat de Afdeling voor ogen heeft bij haar beoordelingen. Hieronder treft u drie voorbeelden aan.

Zo beoordeelt de Afdeling met dit doel voor ogen de geschillen over de aanwijzing van een Natura 2000-gebied. In geval van een als Natura 2000-gebied aangewezen Vrl-gebied heb je te maken met een nationale aanwijzingsprocedure. In geval van aanwijzing van Hrl-gebied als Natura 2000-gebied is sprake van een getrapt stelsel van aanwijzing: aan de nationale procedure gaat een aanmeldingsprocedure vooraf bij de Europese Commissie (EC) voor de lijst van gebieden van communautair belang (lijst GCB). Tegen het aanmelden of het weigeren aan te melden bij de Europese Commissie bestaat geen rechtsbescherming. Tegen de beschikking tot vaststelling van deze lijst door de Europese Commissie staat evenmin beroep open bij het Hof van Justitie. In ons land zijn 79 Vrl-gebieden aangewezen. De aanwijzing van de 145 bij de Europese Commissie aangemelde Hrl-gebieden is nog niet afgerond.

Het getrapte stelsel van de Hrl-aanwijzingsprocedure roept de vraag op of en zo ja in welke mate een te nemen Hrl-aanwijzigingsbesluit een gebonden besluit is. Mag de begrenzing van het gebied afwijken van de EC-beschikking? Mag het gebied voor andere dan de in de EC-beschikking aangewezen habitattypen en -soorten worden aangewezen? Uit Afdelingsuitspraken leidt Verbeek af, dat vergroting van het in de lijst GCB opgenomen gebied mogelijk is. Een verkleining is nog niet aan de orde geweest. Een verandering van habitattypen en -soorten is naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met de Hrl, als deze gebaseerd is op actuele ecologische gegevens.

Een plan of een project voor een Natura 2000-gebied moet worden beoordeeld ‘rekeninghoudend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied’ (art. 6 lid 2 jo. 7 Hrl). Hoewel noch de Vrl, noch de Hrl verplichten om deze doelstellingen in het aanwijzingsbesluit op te nemen, is er in ons land wel voor gekozen (art. 10a lid 2 Nb-wet 1998). Bij deze doelstellingen is niet opgenomen of deze op Europees, nationaal of gebiedsniveau moeten worden bereikt. De Afdeling volgt daarom ‘met deze doelstellingen voor ogen’ de minister in zijn standpunt, dat het hier niet gaat om behoud of herstel van de gunstige staat van instandhouding op gebiedsniveau, maar op landelijk niveau.

Met hetzelfde doel voor ogen stelt de auteur van het beschermingsregime voor gebieden onder andere de bestaande gebruikregeling aan de orde, zoals opgenomen in art. 6 lid 2 Hrl en die van toepassing is op Vrl- en Hrl-gebieden. Is de regeling ex art. 19d Nb-wet 1998, waarin bestaand gebruik uitgezonderd is van een vergunningsplicht, in overeenstemming met de Hrl? De auteur meent van niet en ziet hooguit mogelijkheden om deze toe te passen bij handelingen die niet als een (gevolg van een) project zijn te duiden. Jurisprudentie van de Afdeling wijst immers uit dat er alleen dan geen vergunning nodig is voor bestaand gebruik in respectievelijk een Vrl-gebied als voor het betreffende project vóór 10 juni 1994 of – zo deze datum later ligt – voor het aanwijzingsbesluit van kracht werd toestemming is verleend op grond van een andere wet dan de Nb-wet 1998. Bij een Hrl-gebied geldt als peildatum 7 december 2004.

4. Naschrift

Met de bespreking van deze twee bijdragen zit mijn taak erop. De bundel is gesloten. Als de inhoud ervan representatief is voor de themadag op 9 november 2012, dan kan deze niet anders dan boeiend geweest zijn.

Deze boekbespreking verscheen in het tijdschrift Bouwrecht van Kluwer: http://shop.kluwer.nl/online/tijdschrift-bouwrecht/prodM8094.html

terug naar overzicht