terug naar overzicht

annotaties staatssteunrecht

Residex: garantie, staatssteun en nietigverklaring

03B65147

Hof van Justitie EU 8 december 2011, C-275/10 (Residex)

m.nt. mr. drs. Marjan I. Jaarsma

annotatie verschenen in: Bouwrecht 2012/59

Art. 108 lid 3 VWEU; prejudiciële vraag; is rechter bevoegd tot nietigverklaring garantie in geval van onrechtmatige staatssteun en zo ja, betreft dit een verplichting?

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

De laatste volzin van art. 88 lid 3 EG (thans art. 108 lid 3 VWEU; mj) moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om een garantie nietig te verklaren in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin een onwettige steunmaatregel tot uitvoering is gebracht door middel van een door de overheid verstrekte garantie ter dekking van een lening die door een financiële maatschappij is toegekend aan een onderneming die een dergelijke financiering niet tegen normale marktvoorwaarden had kunnen verkrijgen. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten genoemde rechterlijke instanties ervoor zorgen dat de steun wordt teruggevorderd en kunnen zij te dien einde de garantie nietig verklaren, met name wanneer bij gebreke van minder dwingende procedurele maatregelen, deze nietigverklaring ertoe kan leiden of ertoe kan bijdragen dat de mededingingssituatie van vóór de garantieverstrekking wordt hersteld.

(…)

Noot

1. Indeling en belang van de uitspraak

Onderhavige uitspraak is gedaan naar aanleiding van een procedure die in de indeling van Adriaanse in de categorie staatssteunclaims van overheden valt. Het gaat in casu immers om een in eerste instantie door de Rechtbank Rotterdam gegrond verklaard verweer van de gemeente Rotterdam, dat de garantie nietig is wegens strijd met het staatssteunrecht (LJN AZ6904). Naast deze categorie onderscheidt Adriaanse nog drie andere: staatssteunclaims van belasting- of heffingsplichtigen, van concurrenten en van belanghebbenden in de sfeer van de ruimtelijke ordening (TvS 2011/1, p. 13). In deze en de komende annotaties over staatssteunrecht van mijn hand zal deze indeling voor zover mogelijk worden aangehouden met als doel om de ontwikkeling van de voor bouwrechtjuristen relevante rechtspraak per categorie te belichten. Iedere noot zal als volgt zijn opgebouwd: 1. indeling en belang van de uitspraak en 2. opmerkingen.

Deze uitspraak bevestigt de bevoegdheid tot nietigverklaring van een garantie door de nationale rechter voor de hierna onder 2 genoemde uitspraken en zal in elk geval van groot belang blijven zolang het wetsvoorstel Terugvordering staatssteun nog niet in werking is getreden (Kamerstukken II 2007/08, 31 418). Nationale rechters zijn aldus het Hof van Justitie bevoegd, maar niet verplicht om garanties die kwalificeren als onrechtmatige steunmaatregelen nietig te verklaren. Met andere woorden nietigverklaring van een garantie is een van de mogelijkheden voor een rechter om onwettige staatssteun ongedaan te maken met als doel de situatie van voor de verlening te herstellen.

2. Opmerkingen

Bevoegd, maar niet verplicht. Op grond van de taakverdeling tussen Commissie en rechters van de Europese Unie enerzijds en de nationale rechters anderzijds, is het opleggen van een verplichting door het Hof van Justitie aan de nationale rechters hier niet mogelijk (zie hiervoor ‘Beantwoording van de prejudiciële vraag’, alinea 1-3). Wat opvalt is echter, dat het arrest na beantwoording van de vraag nog even doorgaat en wel met een afwegingskader voor de nationale rechter. Als een nietigverklaring de enig denkbare maatregel is, dan wel geschikter is dan andere minder dwingende maatregelen om de situatie van voor de verlening te herstellen, dan zal hij hiervoor moeten kiezen. Bij een voor nietigverklaring vatbare steunmaatregel, zoals een garantieverstrekking, waarbij meerdere ondernemingen op verschillende wijze begunstigd zijn, zal nietigverklaring mijns inziens niet zelden als geschiktere maatregel uit de bus komen.

De prejudiciële vraag is gesteld door de Hoge Raad (LJN BL4082). Het antwoord ondersteunt de eerder in de Residex-zaak door de Rechtbank Rotterdam op 24 januari 2007 en het Hof ’s-Gravenhage op 10 juli 2008 gedane uitspraken (respectievelijk LJN AZ6904 en BD6981). In de bij mijn weten tot nu toe enige andere over dit onderwerp gepubliceerde zaak bevestigt het antwoord de bevoegdheid tot nietigverklaring van een door Havenbedrijf Rotterdam N.V. aan Commerz Nederland N.V. verstrekte garantie door de Rechtbank Rotterdam d.d. 24 januari 2007 en Hof ’s-Gravenhage d.d. 1 februari 2011 (respectievelijk LJN AZ6902 en BP6129). Met dit antwoord zal in de praktijk rekening gehouden moeten worden. Het kan geen kwaad om reeds verleende (overheids)garanties nog eens tegen het licht te houden.

Deze annotatie verscheen in het tijdschrift Bouwrecht van Kluwer: http://shop.kluwer.nl/online/tijdschrift-bouwrecht/prodM8094.html

terug naar overzicht